Support › Documentatie › Snelstart

Snelstart

Nederlands  |  English

Snelstart

Deze handleiding begeleidt u bij het verbinden met een nieuwe PrivateLAN-appliance, het voor het eerst inloggen, en de aanbevolen volgorde om het systeem daarna te configureren.

Voor het eerst verbinden met de appliance

Voordat u de appliance op naam kunt benaderen, moet uw computer de hostnamen van PrivateLAN kunnen herleiden. Voeg de volgende regels toe aan uw hosts-bestand, wijzend naar het standaard LAN IP-adres van de appliance 192.168.200.200:

IP-adresHostnaam
192.168.200.200app.privatelan.nl
192.168.200.200radius.privatelan.nl
192.168.200.200pki.privatelan.nl
  • Windows: C:\Windows\System32\drivers\etc\hosts
  • Linux: /etc/hosts

Zorg dat de netwerkadapter van uw computer zich op hetzelfde netwerk bevindt als 192.168.200.200 (netmasker 255.255.255.0), en open vervolgens https://app.privatelan.nl in uw browser.

Wijzigt u later het LAN IP-adres of de hostnaam van de appliance (zie Systeeminstellingen), pas dan ook deze regels in uw hosts-bestand aan naar het nieuwe adres.

Voor het eerst inloggen

Log in met het standaard beheerdersaccount:

VeldStandaardwaarde
Gebruikersnaamadmin
WachtwoordNotSecure

Om veiligheidsredenen vraagt PrivateLAN u om direct na de eerste keer inloggen een nieuw wachtwoord voor dit account in te stellen β€” u heeft pas toegang tot andere pagina's nadat u dit heeft gedaan. Zie Gebruikers & accountbeveiliging voor meer over wachtwoorden en tweefactorauthenticatie.

Wanneer u het standaardwachtwoord wijzigt, maakt de appliance de auditlog, de syslog en de trendlijnen op het dashboard leeg. U begint dus met lege logs, zonder wat er werd vastgelegd terwijl de appliance werd voorbereid. De auditlog begint daarna met één regel Logs cleared.

Aanbevolen configuratievolgorde

Zodra u bent ingelogd en het standaardwachtwoord heeft gewijzigd, raden we aan PrivateLAN in de volgende volgorde te configureren:

  1. Netwerkinstellingen β€” stel het permanente IP-adres, hostnaam/FQDN, DNS, tijdserver en tijdzone van de appliance in. Zie Systeeminstellingen.
  2. Licentie β€” activeer uw licentie zodat de juiste limieten en functies beschikbaar komen. Zie Licenties.
  3. Gebruikers & beveiliging β€” voeg accounts toe voor uw collega's en schakel tweefactorauthenticatie in. Zie Gebruikers & accountbeveiliging.
  4. Switches β€” registreer uw switches en deel ze in switchgroepen in. Zie Switchbeheer.
  5. VLAN's β€” maak de VLAN's aan die uw netwerk nodig heeft en stel routering in. Zie VLAN's.
  6. 802.1x / RADIUS β€” registreer uw switches als RADIUS-clients en genereer certificaten als u 802.1x-poortauthenticatie wilt gebruiken. Zie 802.1x / RADIUS.
  7. Apparaatgroepen & apparaten β€” maak apparaatgroepen aan, die apparaten koppelen aan een VLAN en beveiligingsconfiguratie, en registreer uw apparaten. Zie Apparaatbeheer.
  8. Deployment β€” bereid switchpoorten voor op het automatisch uitrollen van apparaten. Zie Apparaten uitrollen (Deployment).
  9. Monitoring β€” gebruik, zodra alles is geconfigureerd, het dashboard, de rapportages en het audit log om uw netwerk in de gaten te houden. Zie Monitoring & rapportages.

Stappen 4-8 bouwen op elkaar voort: switches moeten zijn geregistreerd voordat VLAN's erop kunnen worden geprogrammeerd, VLAN's moeten bestaan voordat apparaatgroepen ernaar kunnen verwijzen, en apparaatgroepen moeten bestaan voordat apparaten of deploymentpoorten ze kunnen gebruiken.

← Terug naar documentatie
Unauthorized

Unauthorized

You don't have authorization to access this function.